Het kompas en zijn gebruik

De 3 Noordens en het begrip "declinatie" kennen

De rode naald van je kompas wijst naar het noorden. Zo simpel is dat, heb je in je teervoet gezien. Maar eigenlijk is dat niet helemaal juist. Je kompasnaald wijst namelijk naar het magnetische noorden, dat in de buurt ligt van het echte, geografische noorden dat de noordpool is.

Dat magnetische noorden ligt echter niet op exact dezelfde plaats als het geografische noorden, maar verschuift van jaar tot jaar. In 1990 lag het magnetische noorden namelijk bijna 1400 km van het echte geografische noorden, de noordpool, verwijderd. Dat betekende toen concreet dat er een afwijking was van 2° 10' westelijk. Deze afwijking verkleint in België elk jaar met 7'. Dus in het jaar 2000 zaten we op exact 1° westelijke afwijking. Elk jaar komt het magnetische noorden nu dus wat dichter bij het geografische noorden komt te liggen. Rond 2008 dus zal de afwijking nul zijn, waarna het magnetische noorden zich weer verder, in oostelijke richting nu, zal begeven.  Het is deze afwijking die we de declinatie noemen.

Daarnaast is er nog een derde noorden, het noorden van je vierkantennet op je kaart. Dat zijn de lijnen waarmee je je coördinaten bepaalt (zie hoofdstuk Kaartlezen). In België kennen we twee vierkantennetten, namelijk Lambert (zwarte cijfers) en UTM (paarse cijfers en ev. lijnen). Tegenwoordig wordt UTM het meest gebruikt, je herkent het net aan de grote paarse lijnen die dwars over je kaart lopen. Als je nu die lijnen aandachtig bekijkt, zie je dat ze niet geheel loodrecht naar boven, naar het geografische noorden dus, lopen. Ze hebben dus ook een afwijking tegenover het echte noorden.

Zowel de declinatie als de afwijking van het vierkantennet kan je berekenen aan de hand van je stafkaart. Hoe je dat juist moet doen, zou ons wat te ver brengen, vooral omdat de afwijking in België zo minimaal is dat je ze praktisch kan verwaarlozen. Je kan echter altijd aan je leiders meer uitleg vragen hoe de vork juist in de steel zit.

Nog even kort samengevat dus:

Het geografische noorden is het noorden van de noordpool en (bij benadering) de poolster, de échte 0° dus.

Het magnetische noorden is het punt waar je kompasnaald door wordt aangetrokken. Het verschuift jaarlijks, de mate waarin het afwijkt van het geografische noorden noemen we de declinatie.

De afwijking van het vierkantennet is het derde Noorden, en het houdt in hoeveel het Lambert- of UTM-vierkantennet afwijkt van het geografische noorden.

De declinatie en de afwijking van het vierkantennet zijn zodanig klein in België dat ze eigenlijk te verwaarlozen zijn.

De verschillende kompassen en onderdelen

           

GEWOON KOMPAS                 KOMPAS MET SPIEGEL          KOMPAS "LUCIFERDOOSJE

           


            KOMPASHUIS

1: magneetnaald

            2: gradenverdeling

            3: noord-zuidpijl

            4: lichtgevende streepjes op de hoofdwindrichtingen

           

BASISPLAAT

5: richtingspijl

6: index

7: aanlegzijde met meetlatje (enkel bij platte kompassen)

8: vergrootglas (enkel bij platte kompassen)

9: aanleglijnen (enkel bij platte kompassen)

10: centimeterschaal (enkel bij platte kompassen)

11: roomers (enkel bij platte kompassen)

12: spiegels (enkel bij spiegel-kompassen)

13: vizier (enkel bij spiegel-kompassen)

De begrippen "azimut", "tegenazimut" en "kaarthoek" kennen

AZIMUT (of richtingshoek of kompasrichting)
Wanneer je van punt A naar punt B wil gaan en je wil zo weinig mogelijk afstand afleggen, ga je recht op recht. Je doet dan aan kompaslopen, boren of bonken, het zijn allemaal omschrijvingen voor éénzelfde actie. Om te weten in welke richting je bestemming B ligt, moet je de azimut bepalen. Voor deze techniek heb je strikt gezien je kompas niet nodig, je gebruikt je kompas namelijk als gradenboog. Sneller gaat natuurlijk met een echte gradenboog.

 

AZIMUT berekenen met een kompas

STAP 1: verbind je beginpunt A met je bestemming B door een rechte lijn. Leg de aanlegzijde van je kompas langs deze lijn. De richtingspijl wijst naar het doel.

STAP 2: draai enkel het kompashuis, niet het kompas, tot de noord-zuidpijl naar het noorden van de kaart wijst. Met andere woorden: de noord-zuidpijl moet evenwijdig lopen met de kaartrand OF met de verticale coördinaatlijnen die ook naar het Noorden lopen.

STAP 3: het getal van je kompashuis dat zich nu aan je richtingspijl of index bevind, lees je af. Dit is

het aantal graden van de richting naar het punt B.


Onthou dus vooral voor je berekeningen:
RICHTINGSPIJL NAAR HET DOEL
NOORDTEKEN (=MAGNEETNAALD) NAAR HET NOORDEN

AZIMUT berekenen met een gradenboog

1. Verbind je beginpunt A met je bestemming B, door een potloodlijntje

2. Leg de gradenboog zo dat de rechte kant evenwijdig ligt met de noord-zuidlijnen van de kaart en dat het middelpunt op je beginpunt A ligt.

3. Waar het potloodlijntje de gradenverdeling snijdt, lees je de graden af.

4. Wens je rekening te houden met de declinatie, bereken deze dan en tel (trek) deze bij (af) van je berekende azimut. Hoe je de declinatie juist berekend, kan je aan je leiding vragen.

TEGENAZIMUT

De tegenazimut bereken je vooral eens je aan het werk bent met een azimut en je wil controleren of je

nog op het juiste pad bent. Door het berekenen van de tegenazimut moet je namelijk pal op je beginpunt terug aankomen. Is dat niet het geval, dan heb je onderweg tijdens het kompaslopen een fout gemaakt. Tegenazimut kan je eveneens ter controle gebruiken bij kompaslopen tijdens langere afstanden.

Hoe bereken je nu het tegenazimut? Als je azimut kleiner is dan 180°, dan doe je +180. Is je azimut groter dan 180°, dan doe je -180. Even een voorbeeldje:

AZIMUT 36° -> kleiner dan 180° dus -> 36° + 180° -> TEGENAZIMUT: 216°

AZIMUT 227° -> groter dan 180° dus -> 227° - 180° -> TEGENAZIMUT: 47°

 

Onthoud dus vooral voor je berekeningen:

AZIMUT < 180°? TEGENAZIMUT = AZIMUT + 180°

AZIMUT > 180°? TEGENAZIMUT = AZIMUT - 180°

KAARTHOEK

Als je geen rekening houdt met de declinatie, dan zijn kaarthoek en azimut gelijk aan elkaar. Hou je er wel rekening mee, dan trek of tel je bij je kaarthoek de declinatie op om de azimut te berekenen. Volgens de definitie is de kaarthoek dus de hoek tussen de noord-zuidlijn op je kaart en je richting.

Een voorwerp in de natuur kunnen terugvinden met een gegeven richting (= de azimut) en afstand

Aan de hand van deze techniek kan je in rechte lijn op zoek gaan naar je bestemming, zelfs zonder kaart. Je weet immers in welke richting je doel ligt, want je kent de azimut en dus het aantal graden van je richting. Algemeen ga je als volgt te werk:

STAP 1: draai aan je kompashuis totdat het opgegeven aantal graden aan de index staat.

STAP 2 met gewoon kompas: hou het kompas horizontaal op je handpalm en draai om je eigen as tot de magneetnaald op 0° staat. De richting aangeduid door de richtingspijl, is dan de richting waarin je doel ligt.

STAP 2 met kompas met spiegel: breng het kompas op ooghoogte met opengeklapte spiegel. Draai nu rond je as tot de magneetnaald in je spiegel zich exact tussen de twee streepjes bevindt.

 

STAP 3: met een gewoon kompas zoek je in het verlengde van je richtingspijl een vast punt in de gezochte richting. Werk je met een spiegelkompas, dan fixeer je dit vast punt door je spiegel volgens de methode in stap 2. Vind je geen punt in de gezochte richting (bvb. weide), stuur dan iemand voorop. Deze persoon wordt dan gebruikt als herkenningspunt. Geef aanwijzingen tot de persoon in de juiste richting staat. Geef hem een teken als hij op de juiste plek staat zodat hij daar kan blijven staan.

STAP 4: ga naar je merkpunt of aangeduide persoon. Ondertussen pas je met je persoonlijke maten de afstand af die je opgegeven hebt gekregen. Eenmaal op je merkpunt aangekomen, start je opnieuw vanaf stap 2. Dit doe je tot je uiteindelijk de opgegeven afstand hebt afgelegd.

Speciale omstandigheden om rekening mee te houden…

Bergop of bergaf kompaslopen…

Naargelang de steilte van de helling vorder je sneller of trager dan gewoonlijk. Hou daar rekening mee als je met je persoonlijke pas de afstand afmeet! Bij een gewone helling omhoog moet je meestal je aantal passen op 100m vermenigvuldigen met ca. 1,5 om 100m te bereiken. Bij een helling omlaag doe je maar ¾ van je normaal aantal passen over 100m. Bij zeer hoge hellingsgraden dien je de cijfers natuurlijk nog enigszins aan te passen.

Ruw terrein…

Door ruw terrein vorder je trager dan gewoonlijk. Je moet meer hindernissen ontwijken, omwegen maken voor bomen die over je pad liggen, kreupelhout, kortom, hou er rekening mee.

Overzichtelijke hindernissen…

Wanneer je over de hindernis kan zien, bijvoorbeeld een meer of een privé-terrein, dan kan je op twee manieren te werk gaan:

a)       zoek aan de overzijde een merkpunt dat in de kompasrichting ligt. Opgelet bij bomen: eens aan de andere kant van de hindernis kan het soms moeilijk zijn om je boom tussen de andere te herkennen. Wanneer je in de kompasrichting geen opvallend merkpunt vindt, stuur je iemand van je patrouille voorop. Met tekens geef je dan aan waar hij moet blijven staan.

b)       Aan de hindernis aangekomen, stel je een merkpunt vast. Je kan bijvoorbeeld een stok rechtop in de grond steken. Zorg ervoor dat je merkpunt vanaf de overzijde goed zichtbaar en herkenbaar is. Iemand van de patrouille kan ook blijven staan en dienen als merkpunt. Loop dan om de hindernis heen en bepaal het tegen-azimut van je merkpunt (zie proef).

Onoverzichtelijke hindernissen…

Onoverzichtelijke hindernissen (rotsformaties, zware heuvels, …)ontnemen je zicht om je kompasrichting verder te kunnen volgen. Je bent dus verplicht om van je looprichting af te wijken. Om de juiste looprichting te behouden, ondanks de hindernis, ga je als volgt te werk:

STAP 1: aan de hindernis gekomen, wijzig je de kompasrichting. Wanneer je naar rechts wilt uitwijken, moet je 90° bijtellen, naar links moet je 90° aftrekken. Stel dat je een kompasrichting aan het volgen bent van 320°. Je wilt naar rechts uitwijken dus heb je er 90° bijgeteld. Je nieuwe kompasrichting bedraagt 50° (= 320 + 90 = 410 – 360 = 50)/

STAP 2: volg deze kompasrichting tot je de hindernis voorbij bent. Onderweg tel je het aantal afgelegde passen.

STAP 3: eens je je naast de hindernis bevindt, volg je terug je oorspronkelijke richting (320°).

STAP 4: wanneer je volledig voorbij de hindernis bent, corrigeer je opnieuw de kompasrichting met 90°, maar nu in tegengestelde zin dan de eerste maal. In ons voorbeeld dus 230° (320-90 = 210). Je stapt evenveel passen terug als de eerste maal toen je afweek.

STAP 5: vanaf dit punt volg je terug je oorspronkelijke koers.

 

In de afbeelding hiernaast, werd gewerkt in de vorm van een rechthoek (90° afwijken). Je kan ook met andere figuren werken, zolang je maar je afwijking corrigeert.

Wanneer je van je koers afwijkt om rond een hindernis te gaan, maak je hiervan best een schets. Tijdens een afwijking kan je opnieuw voor een nieuwe hindernis komen te staan, waardoor je opnieuw moet uitwijken. Zonder schets wordt het dan nog moeilijk om de juiste richting terug te vinden.

Voor gebruikers van spiegelkompassen: sommige types bezitten een speciale functie om afwijkingen te maken. Je kan dit herkennen aan de tweemaal twee puntjes die aan beide zijden van je noord-streepjes voorkomen. Als je hierop een afwijking uitvoert, en achteraf aan de andere kant terug bijcorrigeert, dien je geen berekeningen te maken. Om dit te doen, draai je tijdens het zoeken van je kompasrichting rond je as tot de noord-zuidpijl zich tussen de twee puntjes bevindt.

De richting van een merkpunt in de natuur kunnen bepalen

Stel je de volgende situatie voor: je bent op tocht over berg en dal. In de verte zie je een merkwaardig punt, zoals een kerktoren. Daar wil je naar toe. Als je op de heuveltop staat, is er geen probleem. Je ziet immers je toren in de verte staan. Maar wat doe je wanneer het terrein daalt en je in het dal terechtkomt. Nu kan je de toren niet meer zien. Hoe kan je je nu verzekeren dat je zelfs in het dal op je doel afgaat?

Eenvoudigweg: bereken de kompasrichting vanaf de heuveltop waar je staat naar de toren. Volg deze kompasrichting, ook wanneer je in de vallei bent. Via onderstaande techniek kan je de kompasrichting van de toren in de verte bepalen.

STAP 1: zoek je oriëntatiepunt, bijvoorbeeld de kerktoren

STAP 2: houd je kompas horizontaal voor jou en laat de richtingspijl naar je doel wijzen. Bij een spiegelkompas kijk je door je vizier naar het doel.

STAP 3: draai slechts het kompashuis tot de 0° samenvalt met het noorden van de magneetnaald.

STAP 4: lees het aantal graden aan de index af.

STAP 5: met dit aantal graden kan je dan op je doel af wandelen.

Deze techniek noemen we ook wel “schieten” van een azimut.

Op kaart kunnen terugvinden wat zich in een bepaalde richting op een bepaalde afstand bevindt

Als je via voorgaande techniek een azimut hebt geschoten, kan je deze ook terugbrengen op je kaart.

Met een kompas…

STAP 1: bepaal (“schiet”) het azimut van je doel (zie vorige proef)

STAP 2: leg je kompas; zonder het kompashuis te verdraaien, op je kaart. De aanlegzijde van het kompas raakt het punt op je kaart waar je je op dat moment bevindt, je standplaats.

STAP 3: draai het volledige kompas met je standplaats als middelpunt van de draaicirkel. Je doet dit tot de noord-zuidpijl naar het noorden wijst of evenwijdig ligt met de kaartrand of de verticale coördinaatlijnen. De aanlegzijde geeft je de kompasrichting op de kaart weer.
STAP 4: met een fijn potloodje trek je een voldoende lange lijn vanuit je standplaats in de kompasrichting op je kaart

STAP 5: meet nu op de opgegeven afstand af vanaf je standplaats (hou rekening met de schaal – zie teervoet). Dit punt is je gezochte punt.


Met een gradenboog…

STAP 1: bepaal (“schiet”) het azimut van je doel (zie vorige proef)

STAP 2: leg je gradenboog op je kaart met als middelpunt je standplaats. Zorg ervoor dat de gradenboog perfect horizontaal t.o.v. de kaartrand ligt. Zet nu met een fijn potloodje een streepje aan het aantal graden van je azimut.

STAP 3: tussen je net aangeduide streepje en je standplaats trek je nu met een fijn potloodje een lijn.

STAP 5: meet nu op de opgegeven afstand af vanaf je standplaats (hou rekening met de schaal – zie teervoet). Dit punt is je gezochte punt.

De richting en de afstand bepalen om een bepaalde plaats  op een kaart te bereiken

 

Als je alle bovenstaande technieken goed beheerst, is het voor jou gemakkelijk om vanuit je standplaats een bepaald punt op je kaart te bereiken.

STAP 1: bepaal je standplaats (punt A) en het punt waar je naartoe wilt (punt B).

STAP 2: bereken het azimut zoals beschreven in de eerste proef van deze reeks. Dit is dus de richting die je zal moeten volgen vanuit A met je kompas om je punt B te bereiken

STAP 3: vervolgens meet je de afstand af tussen beide punten. Door gebruik te maken van je schaal zet je dit om in meters of kilometers (zie teervoet).

STAP 4: begin nu in de gevonden richting te lopen. Meet ondertussen je aantal passen af tot je de berekende afstand bereikt. Hou rekening met hellingen en ruw terrein bij je berekening! Als je alles correct uitvoert, kom je uiteindelijk bij je punt B aan.

Bij nacht een richting lopen op kompas (max. afwijking is 10% van de afgelegde weg)

Bij nacht kompaslopen lijkt moeilijk, maar valt eigenlijk best mee. Wat heb je nodig?

- een tweede persoon om dienst te doen als merkpunt

- een kompas voorzien van lichtgevende punten

- een sterke zaklamp

- eventueel reserve batterijen.

Je gaat op dezelfde manier te werk als overdag. Hou echter rekening met volgende tips:

- de meeste kompassen zijn voorzien van lichtgevende punten. Enkele seconden belichten zorgen ervoor dat je kompas gedurende enkele minuten oplicht. Hiermee kan je je kompasrichting schieten

- door middel van je zaklamp kan je je helper aanduiden waar hij moet gaan staan. Je volgt dan hetzelfde principe als overdag: eenmaal je helper correct in positie, loop je naar hem toe en schiet je opnieuw je kompasrichting.

- bereken nooit je kompasrichting als je zaklamp zich boven het kompas bevindt: er kan metaal inzitten die de magnetische naald compleet kan doen afwijken.

- hou er rekening mee dat je wat trager vordert ’s nachts, zeker over moeilijk terrein. Hou ook in gedachten dat je je aantal passen aanpast bij hellingen en dalingen.

- en pas natuurlijk altijd op voor voorbijgangers en passerend verkeer.